Luscinia svecica
De blauwborst is een kleine vogel, vergelijkbaar in grootte met een roodborst. Het mannetje is opvallend door zijn blauwe borst, vaak met een oranje of witte vlek in het midden, en een lichte wenkbrauwstreep boven het oog. Het vrouwtje heeft een minder uitgesproken borsttekening, met meer bruintinten. Juveniele vogels hebben een overwegend bruin verenkleed met een vage streping, wat hen lastiger te herkennen maakt. In vlucht valt de roodbruine staart op, met een donkere eindband. De blauwborst kan soms verward worden met de roodborst vanwege de kleuren op de borst, maar de blauwborst is slanker en heeft een meer gestreepte rug.
De blauwborst leeft voornamelijk in vochtige gebieden, zoals rietlanden, moerasbossen en oevers van rivieren en meren. Zijn dieet bestaat vooral uit insecten, spinnen en andere kleine ongewervelde dieren, aangevuld met bessen tijdens de herfst. Het broedseizoen loopt van april tot juli. Het nest wordt meestal laag bij de grond gemaakt, verborgen in dichte vegetatie. Blauwborsten zijn gedeeltelijke trekvogels: in Nederland broedende exemplaren trekken in de herfst naar Zuid-Europa of Noord-Afrika, terwijl sommige populaties, afhankelijk van de omstandigheden, resident kunnen blijven.
In Nederland komt de blauwborst vooral voor in het oosten, noorden en midden van het land, met belangrijke populaties in moerasgebieden zoals de Biesbosch en de Oostvaardersplassen. In België is de soort minder algemeen, maar komt hij lokaal voor in geschikte habitats. Blauwborsten zijn meestal te zien van het vroege voorjaar tot het late najaar, met piekactiviteit tijdens de broedperiode. Tijdens de trektijd kunnen ze ook elders tijdelijk opduiken.
De blauwborst kent in Nederland en België een stabiele tot licht stijgende populatietrend, mede dankzij verbeterd beheer van moerasgebieden. Desondanks blijft habitatverlies door drainage, landbouw en stedelijke ontwikkeling een aandachtspunt. Bescherming van natte natuurgebieden blijft essentieel voor de instandhouding van de soort.