Larus argentatus
De Zilvermeeuw is een grote meeuw, met een lengte van 55 tot 66 cm en een spanwijdte van 130 tot 150 cm. Hij heeft een helder witte kop, grijze vleugels en een lichte onderzijde. Mannetjes zijn over het algemeen iets groter dan vrouwtjes, maar het verschil is minimaal. Jongere vogels hebben een bruinachtige kleur met vlekken en een minder opvallend uiterlijk, wat verwarring kan veroorzaken met andere soorten zoals de Kokmeeuw en de Geelpootmeeuw, vooral in hun eerste levensjaar.
Zilvermeeuwen komen voor in diverse habitats, waaronder kustgebieden, rivieren en steden. Ze zijn omnivoren en voeden zich met vissen, afval en zeedieren. Zilvermeeuwen zijn vaak te zien in de nabijheid van menselijke activiteiten, vooral bij visserij en afvalbergen. De broedtijd vindt plaats in mei en juni, waarbij het vrouwtje vaak een nest met 2 tot 3 eieren legt. De meeste Zilvermeeuwen zijn standvogels, maar sommige trekken in de winter naar het zuiden.
In Nederland en België is de Zilvermeeuw algemeen en het hele jaar door aanwezig, maar de soort is vooral zichtbaar tijdens de broedperiode van mei tot augustus. Ze broeden voornamelijk in kolonies op eilanden en duinen langs de kust. Buiten het broedseizoen kan men ze ook in binnenlandse gebieden en op stortplaatsen tegenkomen. De soort heeft een brede verspreiding en is in grote delen van Europa te vinden.
De Zilvermeeuw is opgenomen in de Nederlandse en Vlaamse Rode Lijst als algemeen, maar lokale populaties kunnen onder druk staan door verstoring en habitatverlies. Er zijn geen specifieke beschermingsmaatregelen voor de soort zelf, maar ze vallen wel onder de algemene beschermingswetgeving voor vogels in Europa. De trend in Nederland lijkt stabiel, maar informatie over specifieke bedreigingen is beperkt.