Gavia stellata
De roodkeelduiker is een middelgrote duiker met een lengte van ongeveer 55 tot 67 cm en een vleugelspanwijdte van circa 90 tot 110 cm. In de broedtijd is de vogel te herkennen aan zijn kastanjebruine keelvlek, witte hals met donkere strepen en grijsachtige rug. Buiten het broedseizoen is het verenkleed eenvoudiger: rug en kop zijn grijsbruin, terwijl de onderzijde wit is. Hij kan verward worden met de kuifduiker of de parelduiker, hoewel die laatste groter is. Roodkeelduikers hebben een rechte, steekvormige snavel, die in de winter vaak enigszins omhoog wijst.
De roodkeelduiker is een gespecialiseerde viseter die zijn prooi vangt door snelle duiken, vooral in meren en kustwateren. Tijdens de broedtijd kiest hij afgelegen zoetwatermeren in de noordelijke toendra of taiga om te nestelen. Het nest wordt gebouwd op de oever of op drijvende vegetatie. Het legsel bestaat meestal uit twee eieren, en beide ouders helpen bij het uitbroeden en het grootbrengen van de jongen. In de winter trekt hij naar zuidelijker gelegen kustwateren en grote binnenwateren, waar hij foerageert op kleine vissen en schaaldieren.
In Nederland en België is de roodkeelduiker een regelmatige wintergast, vooral langs de kust en op grote binnenwateren zoals het IJsselmeer. Hij is zeldzaam, maar niet uitzonderlijk moeilijk te vinden tijdens de trek- en wintermaanden, meestal van oktober tot april. Waarnemingen concentreren zich vaak langs de kustlijnen van de Waddenzee, het Noordzeegebied en in plassen en meren in het binnenland.
De roodkeelduiker staat in Nederland en België als niet-broedvogel niet op de rode lijst, maar regionale afname of verstoring van overwinteringsplekken kan een risico vormen. Deze soort is afhankelijk van gezond water met voldoende visaanbod, en wordt mogelijk bedreigd door watervervuiling, menselijke recreatie en klimaatverandering. De soort valt onder beschermingsmaatregelen zoals vermeld in de Europese Vogelrichtlijn.