Calidris alpina
De Bonte strandloper heeft een lengte van ongeveer 18 tot 21 centimeter en een spanwijdte van 40 tot 45 centimeter. Het heeft een korte, rechte snavel en lange poten. De bovenzijde is bruin met lichte stippen, terwijl de onderzijde wit is. Volwassen vogels in broedkleed hebben een opvallende kastanjebruine kleur op de borst. Man en vrouw zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden, en jonge vogels zijn vaak meer grijsbruin van kleur. Deze soort kan verwarrend zijn met andere steltlopers zoals de Krombekstrandloper, maar die hebben doorgaans een langere snavel.
Bonte strandlopers komen voor op open kustgebieden, met name op zand- en modderstranden, maar ook op estuaria en getijd natuurgebieden. Ze foerageren vaak in het slik, waar ze inktvissen, garnalen en andere ongewervelden opgraven. De voortplanting vindt plaats in het noorden, waar ze hun nest maken in de toendra. Het vrouwtje legt meestal vier eieren in een onopvallend nest. Deze soort is een sterke trekvogel, die in de winter naar de zuidelijke kusten trekt, inclusief Nederland en België, waar ze in grotere aantallen te zien zijn.
In Nederland en België is de Bonte strandloper vooral te zien tijdens de trekperiodes in het voor- en najaar. Ze zijn redelijk algemeen langs de kustlijnen, vooral in het voorjaar wanneer ze terugkeren naar hun broedgebieden. In de wintermaanden kunnen ze ook in deze regio's worden aangetroffen, hoewel ze dan minder talrijk zijn. Hun aanwezigheid is sterk afhankelijk van het getij, met een grotere kans om ze te zien tijdens laag water.
De Bonte strandloper staat op de Nederlandse en Belgische Rode Lijst als kwetsbaar. De soort heeft te maken met habitatverlies door menselijke activiteiten zoals strandontwikkeling en verstoring door recreatie. Er zijn momenteel geen specifieke beschermingsmaatregelen voor de Bonte strandloper, maar het behoud van hun leefgebieden in kustgebieden is cruciaal voor de populatie.