Saxicola rubicola
De roodborsttapuit is een kleine vogel van ongeveer 12 cm. Het mannetje is goed te herkennen aan zijn zwarte kop, witte halsvlek, oranje borst en donkere rug. Het vrouwtje is minder contrastrijk, met een lichtbruine borst en een grijsbruine kop, maar heeft dezelfde algemene lichaamsvorm. De jongen lijken op het vrouwtje maar zijn nog lichter en hebben een licht gestreepte borst. Deze soort kan worden verward met de Europese roodborst, maar die heeft een volledig oranje borst en geen zwarte kop, of met andere tapuiten zoals de steenchat, waarvan de borst doorgaans lichter is.
De roodborsttapuit komt vooral voor in open landschappen zoals heidevelden, duingebieden en graslanden met struiken. Hij leeft voornamelijk van insecten en andere kleine ongewervelden en is vaak te zien op uitkijkposten zoals struiken of paaltjes, van waaruit hij op prooien duikt. Het nest wordt meestal laag bij de grond gebouwd, vaak verscholen in dichte vegetatie. Het legsel bestaat doorgaans uit 4 tot 6 eieren, die door het vrouwtje worden uitgebroed. In Nederland en België zijn de meeste roodborsttapuiten standvogels, maar een deel trekt weg naar Zuidwest-Europa in de winter.
In Nederland en België is de roodborsttapuit een vrij algemeen voorkomende broedvogel in geschikte habitats, zoals heidevelden, kustgebieden en open duinlandschappen. Hij is het hele jaar door te zien, maar in de winter zijn ze wat moeilijker te vinden door minder uitgesproken zangactiviteit en het wegtrekken van een deel van de populatie naar warmere gebieden.
De roodborsttapuit staat niet op de Rode Lijst in Nederland en België en wordt beschouwd als een soort van 'minst zorgwekkende' status. Verlies van leefgebied door intensieve landbouw, verstedelijking en verdroging van heidegebieden vormen echter potentiële bedreigingen. Behoud van open landschappen met struiken en inrichting van natuurvriendelijke akkers zijn belangrijk voor het voortbestaan van deze soort.