Riparia riparia
De oeverzwaluw is een kleine tot middelgrote zwaluw met een lengte van ongeveer 12-14 cm. Het heeft een slank lichaam, korte staart en een scherpe, puntige snavel. De bovenkant is bruin met een lichte onderkant, terwijl de borst een karakteristieke fijn geraamde melkachtige kleur heeft. Mannetjes en vrouwtjes lijken op elkaar, maar jonge vogels zijn minder helder van kleur en vertonen een meer gedempte bruinachtige tint. De oeverzwaluw kan verwarring opleveren met de boerenzwaluw, die echter een langer ingesneden staart heeft.
Oeverzwaluwen houden van open, droge gebieden en vestigen zich vaak nabij water zoals rivieren, plassen en meren. Ze voeden zich voornamelijk met vliegende insecten, die ze tijdens hun vlucht vangen. De voortplanting vindt doorgaans plaats van april tot augustus, waarbij de vogels hun nesten in kolonies in steile, onverstoorde oevers graven. Oeverzwaluwen zijn trekvogels en trekken in de winter naar Afrika, waar ze verblijven tot het broedseizoen weer begint.
In Nederland en België zijn oeverzwaluwen te zien van maart tot oktober, met de hoogste dichtheden in gebieden met geschikte nestlocaties, zoals rivieroevers en zandafgravingen. De soort is lokaal algemeen, maar in sommige gebieden zijn populaties afgenomen door habitatvernietiging. Ze zijn het best te observeren in de zomer, wanneer zij actief jagen op insecten.
De oeverzwaluw heeft een beschermingsstatus in zowel Nederland als België, waar populaties onder druk staan door het verlies van geschikte broedlocaties. De trend is zorgwekkend; oeverzwaluwen hebben in sommige regio's te maken met een afname in aantallen door habitatverlies en verstoring. Monitoring en bescherming van hun broedgebieden zijn essentieel voor het behoud van deze soort.