Podiceps grisegena
De Roodhalsfuut heeft een gemiddelde lengte van 30 tot 40 centimeter en een spanning van ongeveer 60 tot 70 centimeter. Mannelijke exemplaren zijn te herkennen aan hun felrode hals en zwarte kap tijdens het broedseizoen, terwijl vrouwtjes meer onopvallend zijn met een grijs-bruin verenkleed. Jonge vogels lijken sterk op de volwassen vrouwtjes, maar hebben een minder helder kleurenschema. Deze soort kan verward worden met andere futen, zoals de Dodaars, maar de Roodhalsfuut heeft een langere nek en een andere lichaamshouding.
De Roodhalsfuut komt voor in zoetwatergebieden zoals meren, plassen en moerassen, waar voldoende vegetatie aanwezig is. Zijn dieet bestaat voornamelijk uit vis, weekdieren en kleine ongewervelden. Tijdens de voortplanting bouwen ze drijvende nesten van waterplanten, waarop het vrouwtje meestal 2 tot 5 eieren legt. Na een broedperiode van ongeveer 23 tot 25 dagen komen de jongen uit, die direct zelfstandig kunnen duiken. Er is weinig bekend over het trekgedrag van deze soort in Nederland en België.
In Nederland is de Roodhalsfuut vooral te zien in de noordelijke en oostelijke delen tijdens de broedperiode, meestal van april tot augustus. In België zijn ze minder algemeen, voornamelijk in de Vlaamse en Waalse wateren. De soort is weggetrokken uit sommige broedgebieden, waardoor hij tegenwoordig als zeldzaam wordt beschouwd. Tijdens de wintermaanden zijn ze in Nederland en België zeer beperkt aanwezig, voornamelijk als doortrekkers.
De Roodhalsfuut staat op de rode lijst als kwetsbaar in Nederland en België. De voortgang van de populatie lijkt te dalen door habitatverlies en verstoring. Beschermingsmaatregelen zijn gericht op het behouden en herstellen van geschikte broedlocaties, evenals het verminderen van verstoringen in hun leefgebied. Verdere onderzoek is nodig om een beter inzicht te krijgen in hun populatiestatus en bedreigingen.