Larus fuscus
De Kleine mantelmeeuw heeft een gemiddelde lengte van 45 tot 50 centimeter en een spanwijdte van 120 tot 130 centimeter. Het adult verenkleed is overwegend donkergrijs tot zwart op de rug, met een witte kop en een gele snavel. Jongere vogels hebben een lichter verenkleed en kunnen verwarring opleveren met de Zilvermeeuw, die echter lichter van kleur is. Man en vrouw zien er gelijk uit; het verschil in uiterlijk is minimaal en hangt vooral af van de leeftijd van de vogel.
De Kleine mantelmeeuw leeft voornamelijk in kustgebieden, maar kan ook in binnenstedelijke gebieden worden aangetroffen, vooral in de buurt van voedselbronnen. Hun dieet bestaat voornamelijk uit vis, schelpdieren en afval. De soort broedt vaak in kolonies op onbewoonde eilanden of in duinen. De voortplanting vindt plaats in het voorjaar, waarbij het vrouwtje meestal 2 tot 3 eieren legt. Na het broeden blijft het paar gedurende een tijdje bij hun jongen, die leren vliegen na enkele weken.
In Nederland is de Kleine mantelmeeuw vooral te zien langs de kustgebieden en kan ook worden aangetroffen in de deltawateren en havens. In België is de soort minder algemeen, maar wordt regelmatig gezien aan de kust. De Kleine mantelmeeuw is geen zeldzame soort, maar door veranderingen in het milieu en het broedgedrag kan de dichtheid van populaties fluctueren.
De Kleine mantelmeeuw staat op de lijst van beschermde vogelsoorten in Nederland en België. De soort heeft te maken met bedreigingen zoals voedseltekort door klimaatverandering en verlies van broedhabitat. De populatietrend is stabiel, hoewel plaatselijke schommelingen kunnen voorkomen. Verder zijn directe bedreigingen zoals jacht en verstoring van broedplaatsen onduidelijk.