Hieraaetus pennatus
De Dwergarend heeft een lengte van ongeveer 50 tot 60 cm en een spanwijdte van 130 tot 150 cm. Kenmerkend zijn de donkere bovenkant en het lichte, soms gespikkelde, onderlichaam. Mannetjes zijn over het algemeen kleiner en hebben een lichter verenkleed dan de vrouwtjes. Jongere vogels zijn bruinachtig van kleur met een lichtere band op de staart. De Dwergarend kan verwarring opleveren met andere roofvogels zoals de zwarte arend, maar onderscheidend zijn de kleinere afmetingen en de specifieke kleurpatronen.
De Dwergarend geeft de voorkeur aan open bosgebieden, steppen en heidevelden voor zijn habitat. Hij jaagt voornamelijk op kleine zoogdieren, vogels en soms reptielen. De voortplanting vindt plaats in het voorjaar; het vrouwtje legt doorgaans twee tot drie eieren in een nest dat hoog in bomen of op klippen kan worden gebouwd. De soort is gedeeltelijk trekvogel en kan in de winter naar zuidelijker gebieden trekken, afhankelijk van voedselbeschikbaarheid.
In Nederland is de Dwergarend vooral te zien tijdens de broedperiode van mei tot augustus. De kans om deze vogel tegen te komen is het grootst in open bosgebieden in het oosten van het land. De soort komt slechts sporadisch voor in Nederland en wordt als zeldzaam beschouwd. In België is de situatie vergelijkbaar, waar zijn aanwezigheid zich meestal beperkt tot enkele geschikte locaties.
De Dwergarend valt onder de bescherming van de Europese richtlijnen voor vogelbescherming. De soort is kwetsbaar, en de populatietrends zijn negatief; habitatfragmentatie en milieuveranderingen vormen bedreigingen. In Nederland is de soort onderwerp van verschillende natuurbehoudsinitiatieven om zijn leefomgeving te beschermen en te herstellen.