Glareola nordmanni
De Steppevorkstaartplevier heeft een formaat vergelijkbaar met dat van een merel. Hij heeft een karakteristiek verenkleed met een bruinachtige rug en een lichte buik. De zwart-witte kop met de zwarte borstband maakt hem relatief gemakkelijk te herkennen. Mannetjes en vrouwtjes zijn bijna gelijk, maar mannetjes hebben vaak wat levendigere kleuren. Jongeren kunnen wat doffer zijn en lijken in eerste instantie op andere plevieren, zoals de Gewone Vorkstaartplevier, maar de staartvorm is een goede identificatieve eigenschap.
De Steppevorkstaartplevier broedt in open gebieden met een voorkeur voor gravelachtige grond en schaarse vegetatie. Ze voeden zich voornamelijk met insecten en andere kleine ongewervelden, die ze op de grond vangen. Het broedseizoen loopt van mei tot juli, waarbij het vrouwtje meestal 3-4 eieren legt in een ondiepe nestkom. Tijdens de trektocht vertrekt de soort in de herfst naar hun overwinteringsgebied in Afrika en komt in het voorjaar weer terug naar hun broedgebieden.
In Nederland is de Steppevorkstaartplevier vooral te zien als doortrekker in de lente en de herfst, maar hij is zeer zeldzaam. Waarnemingen zijn meestal geconcentreerd in het zuiden van het land, vooral in open landbouwgebieden. In België zijn er sporadische meldingen, voornamelijk in de West-Vlaamse gebieden. Ze zijn niet regelmatig, waardoor het een interessante soort blijft voor vogelaars en natuurfotografen.
De Steppevorkstaartplevier staat op de rode lijst van bedreigde vogelsoorten in Nederland en België. De trend is negatief door verlies van leefgebied en verstoring van voortplantingsplaatsen. Bedreigingen komen vooral van landbouwpraktijken en habitatveranderingen, maar exacte cijfers en details zijn momenteel niet beschikbaar.