Calidris minuta
De Kleine strandloper heeft een lengte van ongeveer 14 tot 16 cm en een spanwijdte van zo'n 30 tot 33 cm. Het verenkleed in de broedtijd is grijsbruin met lichte onderbuik en een opvallende witte streep boven de ogen. Mannetjes en vrouwtjes hebben een vergelijkbaar uiterlijk, met een iets grotere omvang bij de mannetjes. Jongere vogels zijn vaak doffer van kleur en kunnen verwarrend zijn met andere strandlopers, zoals de Bontbekstrandloper, maar zijn kleiner en hebben een kortere snavel.
De Kleine strandloper leeft voornamelijk in kustgebieden, zoals zand- en modderbanken, waar hij op zoek gaat naar voedsel. Zijn dieet bestaat hoofdzakelijk uit insecten, wormen en schaaldieren. Tijdens de broedtijd nestelt hij vaak op de tundra in Arctische gebieden, waar hij zijn eieren in een ondiepe depressie legt. De soort maakt grote trektochten, waarbij hij in de herfst en voorjaar migraties onderneemt tussen het broedgebied en de overwinteringsgebieden in Zuid-Europa en Afrika.
In Nederland en België is de Kleine strandloper vooral te zien op de zand- en modderbanken langs de kust, maar ook op sommige binnenwateren. Hij is een wintergast en kan doorgaans van augustus tot april worden waargenomen. Het aantal waarnemingen neemt de afgelopen jaren toe, maar de soort is nog steeds niet overal algemeen. Het is mogelijk om grote groepen samen te zien tijdens de trekperiodes.
De Kleine strandloper staat als kwetsbaar op de Nederlandse Rode Lijst. De populatie vertoont een licht dalende trend, voornamelijk door verlies van leefgebied en verstoring op de kust. Bedreigingen zijn onder andere habitatverlies door menselijke activiteiten zoals bouwprojecten en toenemende recreatiedruk op stranden.