Calidris canutus
De Kanoet is een middelgrote steltloper, ongeveer 23 tot 25 cm lang, met een spanwijdte van ongeveer 50 cm. Zijn verenkleed varieert van grijsbruin in de zomertijd tot een meer effen grijze kleur in de winter. Kenmerkend is zijn gebogen snavel, die helpt bij het zoeken naar voedsel in het zand. Volwassen mannetjes en vrouwtjes zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden, maar jonge vogels zijn vaak lichter van kleur en minder opvallend getekend. De Kanoet kan verwart worden met andere soorten zoals de Bengele Pelikaan en de Bonte Strandloper.
Kanoeten broeden voornamelijk in de arctische gebieden van Siberië en Groenland. Tijdens de winter zoeken ze hun voedsel op modderige of zanderige kusten, waar ze zich voeden met schelpen, kleine kreeften en insectenlarven. Ze hebben een sociaal gedrag en worden vaak in groepen gezien. Tijdens de voortplanting bouwen ze hun nest op de grond, meestal in de buurt van water. Kanoeten zijn trekvogels en migreren in grote groepen tussen hun broed- en wintergebieden.
In Nederland en België zijn Kanoeten vooral te zien tijdens de trektijd, van maart tot mei en van augustus tot oktober. Ze komen vaak voor op zand- en modderstranden, evenals in estuaria. Gedurende deze periodes kunnen ze in grote aantallen worden waargenomen, hoewel ze niet als talrijk worden beschouwd. In de winter zijn ze minder vaak aanwezig, maar kunnen ze soms op bepaalde locaties worden gezien.
De Kanoet heeft een rode lijststatus als kwetsbaar in Nederland en België. De populatie vertoont een dalende trend, voornamelijk door verlies van leefgebied, verstoring op broedlocaties en milieuvervuiling. Beschermingsmaatregelen zijn gericht op het behoud van geschikte habitats en het verminderen van menselijke verstoring tijdens het broedseizoen.