Calcarius lapponicus
De IJsgors is een middelgrote zangvogel met een lengte van ongeveer 15 tot 18 cm. Mannelijke IJsgorzen hebben een opvallend zwart en wit verenkleed met een lichte borst en een herkenbare donkere 'kap' op hun hoofd. Vrouwelijke IJsgorzen zijn doorgaans minder felgekleurd en hebben een meer bruine tint. Jonge vogels vertonen een tussenvorm tussen de mannelijke en vrouwelijke kleurpatronen. Bij verwarring kan de IJsgors lijken op andere soorten als de Veldleeuwerik of de kleine Zanglijster, maar het kleurpatroon is vaak herkenbaar.
IJsgorzen geven de voorkeur aan open landschappen met korte begroeiing, zoals toendra’s en graslanden. Hun dieet bestaat voornamelijk uit zaden, insecten en andere plantaardige materie, wat hen helpt te overleven in koudere klimaten. Tijdens de broedtijd, die meestal in de zomer plaatsvindt, bouwen ze hun nest op de grond. IJsgorzen zijn trekvogels die in de herfst naar het zuiden trekken en in het voorjaar weer terugkeren naar hun broedgebieden.
In Nederland en België zijn IJsgorzen voornamelijk als wintergast te zien, met een piek in aantallen van november tot maart. Ze zijn vooral te vinden in open velden en weilanden, waar ze zich voeden met zaden. De soort komt niet in grote aantallen voor en wordt als redelijk zeldzaam beschouwd in deze regio's. In de wintermaanden kunnen ze echter soms in groepen worden waargenomen.
De IJsgors heeft een ongunstige beschermingstatus in Nederland, voornamelijk door verlies van leefgebied en veranderingen in landbouwpraktijken. De populaties vertonen een afname door deze bedreigingen. Het is belangrijk om hun voorkeur voor natuurlijke graslanden in gedachten te houden bij het ontwikkelen van natuurbeheerstrategieën.