Apodemus flavicollis
Geelkeelmuizen hebben een lichaamslengte van ongeveer 8 tot 13 centimeter, met een staart die gelijk of iets langer is. Hun vacht is bruin tot grijsbruin met een gele of oranje gekleurde onderzijde. Mannetjes en vrouwtjes zijn moeilijk te onderscheiden op uiterlijk, maar mannetjes zijn meestal iets zwaarder. Jongere muizen kunnen lichter van kleur zijn en vertonen soms een minder uitgesproken keelkleur. Soms worden ze verward met andere muizensoorten, zoals de gewone veldmuis, maar hebben zij niet de kenmerkende keelverkleuring.
Geelkeelmuizen komen vooral voor in bossen, struikgewas en tuinen. Ze eten een gevarieerd dieet bestaande uit zaden, noten, vruchten en insecten. De voortplanting vindt plaats in het voorjaar en de zomer, waarbij vrouwtjes twee tot vier keer per jaar werpen, met elk nest tussen de 3 en 7 jongen. Deze muizen zijn voornamelijk 's nachts actief en houden zich overdag schuil in holletjes of onder bladeren. Trekgedrag is niet typisch voor deze soort.
In Nederland en België komt de Geelkeelmuizen voor in uitgestrekte bossen en kan men ze doorgaans zien in de periode van voorjaar tot najaar. Deze soort is niet overal even algemeen, maar in geschikte habitat vindt men ze meer verspreid. De voorkeur gaat uit naar bosrijke gebieden, maar ze kunnen zich ook in tuinen en parken vestigen. Het is belangrijk om te vermelden dat de verspreiding afhankelijk is van de lokale omstandigheden en habitatbeschikbaarheid.
De Geelkeelmuizen hebben een beschermingsstatus die blijft hangen in de laagste categorie, omdat er geen directe bedreigingen voor deze soort zijn gemeld. Hun populaties vertonen over het algemeen een stabiele trend, maar regionale verschillen kunnen voorkomen, vooral door habitatvernietiging. Specifieke bedreigingen zijn onbekend, maar veranderingen in landgebruik kunnen een impact hebben op hun leefgebied.